Zoek !

 

Kinderen nemen tempo ouders over

Gemiddelde ,,dagtaak'' duurt zeven uur drie kwartier

BRUSSEL - De tijd van het kind aan de haard is al evenzeer voorbij als die van de vrouw aan de haard. De peuter of kleuter van de jaren '90 brengt veel tijd door bij zijn grootouders en/of de professionele kinderopvang, en gaat vanaf de leeftijd van 2,5 naar school. Kinderen van vier jaar hebben een gemiddelde ,,dagtaak'' (naar school of kinderopvang gaan) van zeven uur en drie kwartier.

Grootouders zijn voor alle kinderen tot zeven jaar de belangrijkste vorm van opvang als de ouders gaan werken, maar die taak wordt langzaam maar zeker overgenomen door onthaalmoeders en kinderdagverblijven.

Deze onthaalmoeders en kinderdagverblijven vallen meestal onder de vleugels van Kind en Gezin, de organisatie die gisteren haar jaarverslag over 1995 voorstelde. Daaruit blijkt - enigszins verrassend - dat 95 procent van de kinderen opgroeit in een ,,klassiek'' twee-oudergezin waarbij de beide ouders echt de natuurlijke vader en moeder zijn. Die ouders zijn bovendien bijna altijd (92,2 procent, tegenover 2,7 procent samenwonenden) getrouwd: blijkbaar gaan ook samenwonenden om een boterbriefje als er kinderen komen.
Van die kinderen ziet 97 procent zijn ouders elke dag. De typische vader werkt voltijds, de meeste moeders (55 %) werken wel maar bijna de helft van hen slechts deeltijds.

Het gevolg is dat kinderen al vanaf zeer jonge leeftijd een levenspatroon krijgen dat sterk lijkt op dat van de werkende mens: ze vertrekken 's morgens op hetzelfde uur als hun ouders en komen 's avonds rond hetzelfde uur weer thuis.
Vanaf 2,5 jaar gaat ruim 55 procent van de kinderen al naar de kleuterschool, zij het meestal slechts deeltijds. Maar ook als ze wel voltijds gaan, duurt de school uiteraard minder lang dan het werk van vader of moeder. Ze moeten dus opgevangen worden.
Voor die opvang staan vooral de grootouders klaar. Van de kinderen onder zeven jaar ziet 93 % zeer geregeld ten minste één van zijn grootouders. Voor 40 % van de kinderen van jonger dan drie en voor 52 % van de 3 tot 7-jarigen dienen de grootouders als opvangmogelijkheid. Daarmee zijn de grootouders nog steeds de grootste depanneurs voor hun werkende kinderen, maar hun belang daalt. Kinderdagverblijven en opvanggezinnen nemen die rol langzamerhand over.

Steven DE FOER

 

Bron "De Standaard"